vierendertig

Ik lees veel. Zo kom ik de dagen door. Vreemd genoeg is er geen beperking op de boeken die ik mag lezen. Er is geen censuur. Alles is toegestaan. Na een paar weken ontstaat er een kleine rel wanneer een krant uitbrengt dat een terroriste in de gevangenis toegang heeft tot zogenaamd “gevaarlijke” literatuur. De storm gaat vrijwel meteen liggen wanneer de journalist in kwestie het over “Schuld en boete” van Dostojevski blijkt te hebben. Maar eerlijk gezegd verbaast het zelfs mij dat ik in principe eender welk boek zou kunnen bestellen, zelfs een handleiding voor het maken van bommen zou men waarschijnlijk niet weigeren.
In wezen heb ik dus niet te klagen over het gevangenisregime dat me te beurt valt. Het had veel slechter kunnen zijn. Objectief gezien heb ik dus geen enkele reden om naar de pers te stappen met de mededeling dat de manier waarop men mij in de gevangenis behandeld, ondraaglijk is. Toch is het dat wat ik doe. Omdat het zo hoort te gaan. Terroristen uit vroeger dagen gingen in hongerstaking of besmeerden de muren van hun cel met uitwerpselen. Dat is traditie. Dus ook ik protesteer. De muren van mijn cel laat ik ongemoeid, maar in hongerstaking ga ik wel. In de kranten verschijnen een aantal artikels. Een mensenrechtenorganisatie lanceert een online petitie om een verbetering van de omstandigheden in de gevangenis te eisen. Een aantal parlementairen leggen een minister op de rooster, wat niemand verbaast, omdat ze al langer aansturen op diens ontslag. Hoewel de directie van de gevangenis beweert dat mijn beschuldigingen onjuist zijn en ik geen reden tot klagen heb, hecht men aan die verklaring in de media en het parlement geen geloof. Maar in vergelijking met de hel die twee weken later losbarst, zijn die gebeurtenissen niet meer dan een storm in een glas water.

Twee weken nadat het nieuws van mijn hongerstaking pers en politiek bereikt heeft, krijg ik bezoek van mijn advocaat die naar aanleiding van de gebeurtenissen van de afgelopen dagen graag even met mij van gedachten wil komen wisselen. Zo formuleert hij het. Ik heb niet om de komst van die man gevraagd en ik krijg het warm noch koud van de gedachte met hem van gedachten te wisselen. Het is al maanden geleden dat ik mijn advocaat nog eens gezien heb. Andere gevangenen krijgen met regelmaat bezoek van hun pleitbezorger die hen aanspoort een nieuwe procedure op te starten of een aantal nieuwe juridische mogelijkheden te overwegen. Bij mij is daar zelfs nooit sprake van geweest. Tot de dag waarop een cipier mij plots uit mijn cel haalt, met de mededeling dat mijn advocaat mij wenst te spreken. Mijn raadsman is in het gezelschap van een man die ik nog nooit eerder ontmoet heb. Mijn advocaat stelt de man aan mij voor als één van zijn medewerkers, maar een dag later al blijkt dat dit leugen is. Bij het bekijken van een reportagemagazine op tv dringt het besef tot mij door dat ik nooit had mogen antwoorden op de mij gestelde vragen, dat vreemden niet te vertrouwen zijn en mijn advocaat nog het minst.
In het reportagemagazine zijn beelden te zien van het gesprek tussen mij en mijn advocaat, samen met sfeerbeelden gemaakt in de gevangenis en vergezeld van een voice-over die mij beschrijft als een vrouw die wanhopig op zoek is naar aandacht. De stem van de voice-over is die van de man die een dag eerder mijn advocaat bij zijn bezoek aan mij vergezeld had. Op het einde van de reportage komt de man zelf in beeld en belaadt hij zichzelf met lof vanwege deze gewaagde, maar toch geslaagde undercoveroperatie. Het hele gesprek lang had hij met een bang hartje gehoopt dat niemand hem zou betrappen. Maar eigenlijk had hij geen keuze, beweert hij. Zijn kijkers hebben het recht op de waarheid en hij kan met trots melden dat hij mij ontmaskerd heeft.
De storm gaat uiteindelijk even snel liggen als hij gekomen is en ik breek mijn hongerstaking af.

Regelmatig krijg ik brieven toegestuurd. De eerste keren verbazen ze mij nog. Niet enkel omdat ik geschreven brieven als artefacten uit het pre-elektronisch tijdperk beschouw, maar vooral omdat ze geschreven zijn door mensen die mij volslagen onbekend zijn. Er is geen enkele brief bij die afkomstig is van een familielid of een vriend uit een ver verleden. Wanneer ik voor het eerst post krijg, hoop ik nog even dat de brief van T. afkomstig is. Maar al aan het handschrift op de enveloppe zie ik dat de brief onmogelijk van hem kan komen.
Een aantal brieven zijn afkomstig van een jonge kunstenares die me schrijft geïntrigeerd te zijn door mijn verhaal en mij graag zou willen ontmoeten. Ik ga niet in op haar verzoek, maar houd haar brieven bij, omdat ze mij duidelijk maken dat ik niets meer bij de rest van de mensheid te zoeken heb. Het leven in gevangenschap is een stuk draaglijker sinds ik besef dat ik niet gevangen ben gezet om anderen tegen mij te beschermen, maar omdat de muren van de gevangenis voor mij de beste bescherming vormen tegen iedereen die buiten die muren leeft. Mensen zijn als wilde dieren, steeds op zoek naar een prooi die zwak genoeg is om aan te vallen en te verslinden. Het schoolplein is het beste voorbeeld. En het daar aangeleerde pestgedrag zet iedereen gewoon verder wanneer de kinderen volwassen zijn geworden en de werkvloer hun nieuwe schoolplein is. Niemand valt te vertrouwen, ook niet wanneer ze schrijven geïntrigeerd te zijn door je verhaal. Niemand wil mijn verhaal vertellen uit empathie of omdat ze geloven dat ze mij daar een dienst mee bewijzen. Ze willen mijn verhaal enkel gebruiken om zichzelf in de aandacht te werken of er op een andere manier voordeel uit te halen.
Brieven van een heel andere aard zijn degenen die ik van mannen en vrouwen krijg die in mij een voorbeeld zien. Zo is er een man die mij wekelijks citaten van filosofen en politiek denkers toestuurt. Zijn eerste brief lees ik nog. Het bevat een citaat van Mao.
“Als de vijand ons bestrijdt, dan is dat goed. Het bewijst namelijk dat er tussen ons en de vijand een scheidslijn is. En als de vijand ons inktzwart afschildert, dan is dat nog beter. Dat bewijst niet alleen het bestaan van de scheidslijn, maar ook dat ons werk een groot succes is.”
De rest van de brieven die hij me stuurt, gooi ik ongeopend in de vuilbak.
Er is een man die me schrijft dat hij zijn leven een nieuwe wending heeft gegeven sinds hij in de kranten over mij las. Ik heb geen behoefte aan dit soort ontboezemingen. Ik hoef geen bron van inspiratie te zijn voor anderen. Ieder moet zijn eigen leven leiden, zijn eigen keuzes maken. Niemand heeft mij daarvoor nodig. Het is te makkelijk de verantwoordelijkheid voor je eigen leven af te schuiven op iemand anders. Ik ben geen voorbeeld en hoef er ook geen te zijn.
De meest verregaande vorm van bewondering waarmee ik in de gevangenis te maken krijg, is de brief van een mij onbekende man die mij ten huwelijk vraagt. Vanzelfsprekend blijft ook die brief onbeantwoord.

Veel tijd in de gevangenis breng ik door met schrijven. Nooit zijn het brieven, het zijn gewoon gedachten op papier. Ik stuur het naar niemand op. Geen redactie of uitgever krijgt het te lezen. Wat ik schrijf is nu nog enkel mijn eigen zaak. Het is een eenvoudige poging om zicht te krijgen op wat mij is overkomen, een manier om voet aan de grond te krijgen in mijn gedachtengang.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s