tweeëndertig

Erik is radicaal tegen het publiceren van de brief. Ik heb nochtans geprobeerd bij het schrijven mijn emoties achterwege te laten. Niet alleen om Christian te plezieren, maar omdat ik weet dat emoties en journalistiek niet samengaan. Het was een wijze raad geweest van mijn hoofdredacteur toen ik nog maar een paar maanden in dienst van de krant was.
“Tranen belemmeren het zicht,” had hij mij gezegd. Ik had zijn advies toen licht gechoqueerd in ontvangst genomen.
“Emoties zijn de enige manier om mensen te raken,” had ik hem gezegd, daarbij de stelregel van één van mijn favoriete filmmakers in acht nemend.
“Inderdaad,” had mijn hoofdredacteur gerepliceerd, “maar die emotie moet bij de lezer liggen. Niet bij jou.”
Christians mening over de brief is niet duidelijk. Het enige wat hij zegt is:
“S. is verantwoordelijk voor de communicatie. Als zij die brief nodig acht, dan moet ze hem laten publiceren.”
Meer woorden maakt hij er niet aan vuil. Erik denkt de confrontatie te moeten aangaan.
“Moet we hier dan niet over stemmen of zo?” vraagt hij. “Ik vind dit geen manier van werken. Als S. als enige mag bepalen wat we communiceren, kan ze om het even wat verkondigen. Voor we het in de gaten hebben pleit ze in onze naam voor gelijke rechten voor bonobo’s.”
“Leer ermee leven,” zegt Christian, “jouw woorden. Alles is onvoorspelbaar, ook wat S. in onze naam communiceert. Dat is een kwestie van consequent zijn.”
“Dat is belachelijk,” schreeuwt Erik, “op die manier valt alles te verantwoorden.”
“Precies,” zegt Christian en daarmee is de discussie gesloten.

Hoewel het binnen nog steeds veiliger is dan buiten, bevind ik mij die dagen voornamelijk op straat. Samen met Amanda dool ik rond in de stad zonder concreet plan en met als enige doel de spanning die in de lucht hangt tussen Erik en Christian te ontwijken. In de gesprekken die we voeren om de tijd te doden, spreken we niet over Kleine Opstand. Het is niet zo dat we dat expliciet hebben afgesproken, het is uitgegroeid tot een ongeschreven regel tijdens onze wandelingen. Bijgevolg kom ik in de dagen die we samen doorbrengen meer te weten over Amanda’s liefde voor country en haar clichématig problematische jeugd. Ik krijg verhalen te horen over de afwezige vader, spijbelen op school en zelfverminking. Wat ze vertelt lijkt recht uit een studie over probleemjongeren te komen. Mijn toenemende paranoia maakt dat ik mij ga afvragen of de overtuigingskracht die ze bij het spreken aan de dag legt geen camouflage is voor het feit dat al wat ze vertelt een leugen is. Ik ga ervan uit dat ik een bevoorrecht toeschouwer ben van het verhaal van haar verzonnen jeugd, maar ik doe alsof dat niet zo is en ik elk woord dat ze mij vertelt geloof.

We gaan de straat niet op zonder onszelf eerst vakkundig te camoufleren met pruiken en tweedehandskledij. Vaak voel ik mij een kind met een verkleedkoffer en de overtuiging dat het echt iemand anders kan zijn als het zich goed genoeg weet te vermommen. Camouflage is altijd al mijn sterkste kant geweest. Als kind speelde ik spelletjes waarbij ik deed alsof ik niet bestond. Dat volwassenen mij niet schenen op te merken, beschouwde ik als het bewijs van mijn geslaagde missie.
Ondanks onze camouflage, weten Amanda en ik dat we voortdurend op onze hoede moeten zijn. Ik merk de auto op die al dagen geparkeerd staat tegenover ons appartement. Telkens wanneer ik het appartement verlaat, voel ik de verleiding op de geparkeerde auto toe te stappen en de inzittenden te trakteren op een kop koffie. Maar ik onderneem niets, doe alsof ik hen niet zie en ga de straat op. Verder stel ik vast dat de straten bezaaid zijn met mensen die lopen zonder doel of richting en dat op een onhandige manier proberen te verhullen. Het is duidelijk dat ze ons bekijken. Het is duidelijk dat men weet waar wij ons bevinden. Het enige wat ik niet begrijp, is waarom niemand ingrijpt. Waarom men al dagen elke beweging die ik maak observeert, noteert, archiveert, maar geen enkele poging onderneemt me op te pakken, het appartement te bestormen en Kleine Opstand voor eens en voor altijd op te rollen. De observaties op alle straathoeken zijn een provocatie. Alsof men ons probeert uit te dagen. Alsof men wil zeggen: “probeer het nu maar, pleeg maar een aanslag.”
Wij ondernemen echter niets.

Naarmate ik Amanda beter leer kennen en tot het besluit kom haar te vertrouwen, breiden we ons terrein uit van de stad naar de kaden. Voor het eerst laat ik iemand toe op de plekken die ik voordien bijna als mijn eigendom beschouwde. Een paar dagen nadat Amanda en ik voor het eerst samen voet op de kaden hebben gezet, krijg ik opnieuw het gevoel dat mijn leven in gevaar is. Wat gebeurt, zou men makkelijk kunnen afdoen als een ongeluk. Ik weet dat het dat niet is. Wanneer Amanda en ik langs het water lopen, komt er een auto recht op ons afgereden. In plaats van vaart te minderen en uit te wijken, doet de auto het tegenovergestelde. De bestuurder geeft gas en stuurt de auto recht op ons af. Het mag een wonder heten dat Amanda en ik er net in slagen weg te springen en ongedeerd zijn. Dat het geen ongeluk is, wordt nog duidelijker wanneer de chauffeur na het missen achteruit rijdt en opnieuw de aanval inzet. In een reflex trek ik Amanda het water in. We horen de auto wegrijden en wanneer we er uiteindelijk in slagen de kade op te klimmen, is er geen spoor meer te bekennen van de auto of zijn bestuurder.
Op dat moment weten we niet dat, terwijl wij met natte, plakkerige kleren aan de kant van het water staan, er tegelijkertijd aan de andere kant van de stad een veel grotere ramp plaatsvindt.

Een paar uur later, wanneer we aankomen aan het appartement, gaan de portieren van de auto die al dagen voor de deur staat open. Twee agenten in burger stappen uit en komen op Amanda en mij afgestapt.
“Politie. Kunt u even met ons meekomen, alstublieft.”
Hoewel vriendelijk geformuleerd, is het geen vraag die ze ons stellen. Amanda en ik verzetten ons niet, zetten het niet op een lopen, stappen in de auto en rijden met hen mee.

Pas een paar uur later krijgen we te horen wat er is gebeurd. Nadat enkele agenten meermaals naar ons alibi voor de afgelopen dag gevraagd hebben, waarbij ze, ondanks onze natte kleren, weinig geloof hechtten aan ons verhaal over de auto, vertellen ze ons dat er die dag, om 17u18 drie bommen ontploft zijn in de metro. Het aantal doden en gewonden is nog onbekend. Meteen wordt duidelijk waarom Amanda en ik daar zijn. Men gelooft dat deze aanslag het werk is van Kleine Opstand. Wij weten dat dat niet zo is. Maar we hebben geen alibi. En geen bewijs. Want hoewel een rechtsprincipe zegt dat iemand onschuldig is tot het tegendeel bewezen, verwacht men van Amanda en mij dat we bewijzen niets met deze aanslag te maken te hebben. En meteen is ons duidelijk dat zoiets onmogelijk is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s