eenentwintig

Wat echter het meest stof doet opwaaien in die periode, is het nieuws dat een onderzoeksjournalist uitbrengt omtrent de huiszoekingen en enkele daaraan gekoppelde arrestaties. Bijna onmiddellijk na de huiszoekingen had een woordvoerder van de politie trots verklaard dat er bij een vereniging waarvan ik nog nooit gehoord heb bezwarend materiaal gevonden was en dat ze de leden van die vereniging gearresteerd hebben op verdenking van banden met Kleine Opstand. Enkele dagen later verschijnt in een tijdschrift een interview met een agent van de inlichtingendiensten die wenst anoniem te blijven en getuigt dat het bezwarend materiaal door de inlichtingendiensten zelf in de lokalen van de vereniging is geplaatst, in de hoop op die manier een arrestatie mogelijk te maken en bekentenissen uit te lokken. Na het verschijnen van het interview besluit de onderzoeksrechter de leden van de vereniging onmiddellijk weer vrij te laten.

Een oppositiepartij pleit in het parlement voor de oprichting van een onderzoekscommissie die de aanpak van terrorisme door overheidsinstanties en de betrokkenheid van bepaalde politici en politieke partijen zou moeten onderzoeken. Het parlement richt de commissie op, maar nadien verneemt niemand nog iets over hun werkzaamheden. Later zal men nog eens een commissie oprichten die zich over het falen van de eerste commissie moet buigen.

In diezelfde dagen brengt een bekende kledingketen de eerste T-shirts met de opdruk “Kleine Opstand” op de markt. Wanneer men de woordvoerster van die keten hierover in de media onder vuur neemt, verdedigt die zich door te zeggen dat ze geen verschil ziet tussen het verkopen van een T-shirt met de opdruk “Kleine Opstand” en een T-shirt waarop de beeltenis van Che Guevara prijkt.
“De consument is verstandig genoeg om het verschil te zien tussen het goedkeuren van terrorisme en het dragen van een hip kledingstuk,” voegt ze er nog aan toe.
Diezelfde avond wordt een filiaal van deze kledingketen tot as herleid.

Christian komt aanzetten met het nieuws dat hij via een aantal connecties een nieuw onderduikadres voor ons geregeld heeft. Het nieuwe appartement gelijkt sterk op het eerste. Ook dit appartement heeft de persoonlijkheid van een hotelkamer. Her en der zijn spullen achtergelaten die een zogenaamd persoonlijke touch aan de verblijfplaats zouden kunnen geven, maar die evenveel eigenheid uitstralen als de reproducties van schilderijen die te bewonderen zijn in talloze identieke hotelkamers en die een bekende Zweedse winkelketen in al haar filialen massaal te koop aanbiedt. Het lijkt alsof Christian een patent heeft op het uitkiezen van dit soort locaties, die schijnbaar iemands eigendom zijn en toch anonimiteit uitstralen. Of het zou moeten zijn dat de sympathisanten van Kleine Opstand allemaal een zelfde soort huizen bewonen.

Het appartement dat we betrekken, bevindt zich pal in de studentenbuurt. Het voordeel daarvan is dat we niet hoeven te vrezen voor bemoeizieke bejaarden die hele dagen niets anders te doen hebben dan het bespioneren van de buren. Studenten trekken zich doorgaans weinig aan van buurtbewoners. Het nadeel is dan weer dat we menig avondlijke vergadering moeten staken wanneer onder onze ramen het rumoer van een voorbijtrekkende kudde studenten opstijgt. Wanneer we op een avond in de voorbereidingen van een aanslag gestoord worden door het straatlawaai waarvoor ook dit keer een horde dronken studenten verantwoordelijk zijn, staat Christian op van tafel en gaat hij bij het raam staan. Terwijl hij neerkijkt op de troep die beneden de straat onveilig maakt, zucht hij diep.
“Kijk,” zegt hij, “daar loopt de toekomst van ons land.”
Erik en ik lachen om de overdreven dramatiek waarmee hij de zin ondersteunt. En ik lach uit herkenning. Ook ik heb nooit veel sympathie kunnen opbrengen voor die bevolkingsgroep die zich vooral laat opmerken door veelvuldig collectief drankgebruik. Het zou kunnen dat de verslagen die ik in mijn beperkte journalistieke carrière moest schrijven over studentendopen en aanverwanten daar voor iets tussenzitten. Al zal mijn natuurlijke afkeer voor kuddegedrag er ook wel iets mee te maken hebben. Studenten horen voor mij thuis in de groep waar ook toeristen en religieuze fanatici in terug te vinden zijn. Ik ergerde mij altijd mateloos aan de groepen toeristen die achter een opgestoken paraplu aanhobbelen, zich gedwee laten meevoeren naar alle plekken die ze volgens de reisgidsen gezien zouden moeten hebben en daarbij elke mogelijkheid tot een eigen keuze in de handen leggen van iemand die de stad doorkruist in het gezelschap van een opgestoken paraplu. Het is dus niet zo zeer het fenomeen student, toerist of religieus fanaticus dat allerlei vormen van weerstand in mij naar boven brengt, het is eerder het fenomeen van de mens als groepsdier. Ironisch genoeg was ik inmiddels zelf deel gaan uitmaken van een groep. Ironisch genoeg was het zelfs dat waar ik al mijn hele leven stiekem naar verlangd had.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s