twintig

In de dagen die volgen, wordt de berichtgeving over Kleine Opstand in kranten en televisiejournaals harder. Steeds vaker komen mensen aan het woord die verklaren dat Kleine Opstand een terroristische organisatie is en dat men die met alle mogelijke middelen moet bestrijden. In het parlement brengen de regeringspartijen een aantal noodwetten ter stemming. De wetten bepalen dat men bij alle burgers vanaf heden, bij het kleinste vermoeden van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, de telefoon mag afluisteren. Een speciaal team politieagenten zal brieven voor bezorging aan de bestemmeling openen en lezen. Een andere eenheid van de politiediensten zal het internetverkeer van de gehele bevolking nauwlettend in het oog houden. Verder zullen steden en gemeenten de aanwezigheid van veiligheidscamera’s in de straten uitbreiden. In een televisie-interview verklaart een politiecommissaris dat de genomen maatregelen noodzakelijk zijn.
“Ik ga ervan uit,” zegt hij, “dat iedereen verdacht is, tot het tegendeel bewezen is.”
Enkelingen reageren verontwaardigd op de nieuwe richtlijnen. De meerderheid van de bevolking heeft er geen bezwaar tegen zijn rechten en privacy op te geven in ruil voor de illusie van veiligheid.
Ik krijg een internetverbod opgelegd door Christian.
“Te makkelijk te traceren,” zegt hij.
Hij zet een oude typemachine voor mijn neus, God mag weten waar hij die nu weer vandaan heeft gehaald.
“Schrijf je artikels hierop en verstuur ze per post.”
Ik probeer Christiaan duidelijk te maken dat het niet zo simpel is, dat er deadlines zijn die ik moet halen.
“Ze moeten zich maar aanpassen aan ons ritme,” zegt hij, waarna hij mij terugkatapulteert naar een tijdperk zonder internetjournalistiek.

Een paar dagen na de invoering van de nieuwe wetten maakt de Minister van Justistie met trots de eerste resultaten bekend. Er zijn een aantal arrestaties verricht. Namen geeft de minister niet vrij, maar hij weet te melden dat de betrokken personen herhaaldelijk bedenkelijke websites hebben bezocht. Een paar uur later staan de verdachten alweer op straat en blijkt het om een vergissing te gaan.
Het meeste ophef maakt het nieuws dat enkele politieagenten een zwangere vrouw van een bus geplukt en uitvoerig gefouilleerd hebben, omdat een waakzame agent uitging van de veronderstelling dat haar zwangere buik een goed gecamoufleerde bom zou kunnen zijn. Wanneer dit nieuws uitlekt, groeit het verzet tegen de nieuwe anti-terreurmaatregelen een beetje. Ook de aanhang en het beetje sympathie dat Kleine Opstand nog geniet, neemt een tikje toe.

Aarzelend stellen sommigen de vraag of de aanpak van politie en gerecht niet te ver gaat. Hun vraag gaat minder aarzelend klinken wanneer op een ochtend op verschillende plekken tegelijkertijd agenten huiszoekingen verrichten. Verenigingen, politici en activisten krijgen een horde gewapende agenten over de vloer die huizen en vergaderruimtes binnenstebuiten keren en adressenboekjes, ledenlijsten en andere bruikbare documenten in beslag nemen. Op de televisie zijn in de journaals beelden te zien van agenten die woningen buitenstappen met bakken vol onderzoeksmateriaal, van archiefmappen tot in beslag genomen computers. Eén van de gebouwen die in beeld komt, is het appartement waar ik vroeger woonde. Het was voorspelbaar dat bij een huiszoeking als deze agenten ook mijn vroegere woning onder handen zouden nemen. Beelden van agenten die het appartement zelf binnenwandelen, ontzegt het televisiejournaal de kijker helaas. Ik zou nochtans geld gegeven hebben om de blik van de agenten te zien die geconfronteerd worden met de kale ruimte die zich mijn appartement mag noemen. Snel afgerond zal de huiszoeking in ieder geval wel geweest zijn. Meer dan een bed, een tafel, een stoel en een tiental boeken en cd’s zijn in mijn appartement niet te vinden. De agenten zijn er dus aan voor de moeite.
Voor het eerst sinds mijn toetreden tot Kleine Opstand overvalt mij een licht gevoel van heimwee wanneer ik de beelden van mijn appartement op de televisie bekijk. Het appartement was mijn bunker waar ik mij drie jaar eerder in had teruggetrokken, ervan overtuigd dat ik mij door niemand meer zou laten raken. T. had besloten uit mijn leven te stappen. Zelfs op het bericht dat ik een paar weken na zijn vertrek op zijn voicemail achterliet, kreeg ik nooit een antwoord. Misschien maakte het hem niets uit vader te zullen worden. Misschien gebruikte hij zijn oude gsm-nummer gewoon niet meer en heeft hij het bericht nooit beluisterd. Uiteindelijk maakte het ook weinig uit of hij het wist of niet. Een paar weken nadat ik wist dat ik zwanger was, was ik het kind alweer verloren. Ik had niet eens de tijd gehad een naam te bedenken.

Het appartement waar Kleine Opstand verblijft, krijgt geen agenten over de vloer. Het stelt mij gerust dat men dus blijkbaar niet weet waar wij te vinden zijn. Anderzijds lijkt het mij onwaarschijnlijk dat men ons niet zou weten te vinden. Ik ben de woorden van de agent bij mijn vrijlating na een nacht cel nooit vergeten. Ik kan me niet voorstellen dat men niet weet waar ik ben. Het is onaannemelijk dat niemand weet waar Kleine Opstand zich precies bevindt. Het lijkt wel of men er bewust voor kiest Kleine Opstand zelf voorlopig buiten schot te laten. Ik slaag er alleen niet in daar een goede reden voor te bedenken. Wanneer ik later die dag mijn overpeinzingen voorleg aan Christian, lacht hij.
“Jij hebt te veel fantasie, S.,” zegt hij, “Dat is waarschijnlijk heel handig voor een journalist, maar je moet niet overal complotten zien.”

De redactie van de krant waar ik vroeger werkte, krijgt wel een uitgebreid onderzoeksteam over de vloer. Op de televisie zie ik hoe mijn hoofdredacteur moord en brand schreeuwt, terwijl agenten hem meenemen voor ondervraging. Commentatoren van andere nieuwsmedia veroordelen de huiszoeking op de redactie en hekelen de inbeslagname van allerhande vertrouwelijke informatie en de schending van het brongeheim. Men beslist echter mijn hoofdredacteur en enkele andere opgepakte journalisten snel weer vrij te laten. De agenten waren er niet in geslaagd enig bewijs te vinden dat de krant op de één of de andere manier samenwerkt met mij of Kleine Opstand. De officiële uitleg dat ze met regelmaat een tekst van mij toegestuurd krijgen en die publiceren met de melding afstand te nemen van de standpunten van de auteur, geloven de onderzoekers uiteindelijk, wegens gebrek aan bewijzen dat er meer aan de hand is. Meer nog dan de huiszoeking in mijn eigen appartement, voelt de politiebestorming op de redactie aan als een aanval op mij persoonlijk. Bijna voelt het aan alsof men een coup pleegt op mijn verleden, alsof men probeert mijn geschiedenis uit elkaar te rafelen en mij op die manier onschadelijk te maken. Vreemd genoeg is de methode nog effectief ook. Ik voel mij inderdaad, tegen mijn eigen verwachtingen in, persoonlijk getroffen. Mijn verleden mag dan wel ellendig zijn en eigenlijk niet vermeldenswaardig, het is wel míjn verleden en niemand heeft het recht zich dat toe te eigenen en uit elkaar te rafelen. Bijna verlang ik weer naar mijn bunker, naar mijn plek in de wereld die vooral gericht was op het beschermen tegen die wereld. Bijna verlang ik weer naar een onbeduidend leven in de kantlijn. Maar een weg terug is er nu niet meer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s