vijftien

Pas de volgende ochtend, wanneer we allen aanschuiven voor het ontbijt, begint het mij te dagen dat er iemand ontbreekt.
“Waar is Petra?” vraag ik.
Christian haalt zijn schouders op.
“Zo gaan die dingen,” zegt hij.
In stilte eten we verder, tot Christian opnieuw het woord neemt.
“We moeten verhuizen,” zegt hij, “we zij hier niet meer veilig. We moeten rekening houden met het feit dat iemand ons kan verraden. Het is een kwestie van tijd voor ze ons hier vinden.”
We spreken af dat twee van ons op zoek zullen gaan naar een nieuw onderduikadres. Het is tot nu toe steeds de taak van Erik geweest om in de stad op ontdekkingstocht te gaan. Tot dit moment deed hij niets anders dan het opspeuren van geschikte doelwitten voor komende aanslagen. Op basis van wat ik ervan opvang, komt dat neer op het bestuderen van vluchtwegen, sociale controle in de buurt en al wat verder van belang zou kunnen zijn. Ik onthoud wat ik erover opvang met het oog op het schrijven van een toekomstig artikel. Als Kleine Opstand ooit achter de rug is, zal ik een artikel schrijven over de precieze gang van zaken binnen de organisatie, dus ik houd mijn ogen en oren voortdurend wijd open. Sociale verhoudingen binnen de groep, werkwijze, alles kan relevant zijn.
Het is echter niet Erik die de opdracht krijgt de stad in te gaan en een nieuw onderduikadres te zoeken. Die eer valt Alexander en mij te beurt.

Diezelfde namiddag nog wandelen Alexander en ik door de straten van de stad. We zijn op onze hoede. We weten dat overal iemand kan staan die ons in de gaten houdt. Het is een spel van kijken en bekeken worden. Wie kijkt, ziet al snel wie er toevallig door de straten loopt en wie er slenterend de voorbijgangers gadeslaat. Agenten in burger die observeren, lopen doelloos en zonder richting. En wanneer ze stilstaan, is duidelijk dat ze niet staan te wachten op iets of iemand. Hun lichaam straalt een andere spanning uit, hun staan heeft geen plek en wat nog het meest opvalt is de onhandige manier waarop ze dat proberen te verhullen. Het is deze overpeinzing die ik met Alexander deel en die er ironisch genoeg voor zorgt dat we hen niet zien komen. Twee agenten in burger duwen ons tegen de muur en sissen ons toe vooral niet te beginnen schreeuwen. Enkele ogenblikken later duwen ze ons elk in een andere auto en brengen ze ons weg. Tot zover dus mijn eerste eigen missie.

Van de auto brengen de agenten mij rechtstreeks over naar een verhoorkamer in het politiebureau in het centrum van de stad. Van Alexander is geen spoor meer. Ik krijg een bekertje koffie uit een automaat voorgeschoteld. Ik vraag of ik gewoon een glas water kan krijgen. De agent zucht, verlaat de verhoorkamer en komt even later terug met een glas water. Na het glas te hebben neergezet, gaat hij tegenover mij zitten, naast een agente die door een kartonnen mapje met papieren bladert.
Op de tafel in de verhoorkamer liggen een aantal foto’s van uitgebrande gebouwen uitgespreid. De agent gooit er een exemplaar van de krant waarin mijn manifest verschenen is bovenop.
“Daar heb ik niets mee te maken,” zeg ik.
De agent neemt de krant op en begint het manifest voor te lezen dat gedrukt staat op de eerste pagina.
“Ik heb alleen dat manifest geschreven,” zeg ik hem wanneer hij klaar is met lezen.
“Met die aanslagen heb ik niets te maken.”
“Dat kan goed zijn,” antwoordt de agent mij, “maar deze aanslagen zijn opgeëist door Kleine Opstand. U schrijft een manifest in naam van Kleine Opstand. Dus tot het tegendeel bewezen is, beschouwen wij deze aanslagen als uw werk.”
Omdat ik blijf ontkennen, zetten de agenten een andere tactiek in. Ze informeren naar mijn alibi. Waar was ik twee dagen geleden tussen acht en tien uur ‘s avonds? Waar was ik vorige week rond hetzelfde tijdstip? Twee weken geleden? Ik kan hun vragen niet beantwoorden.
“Thuis,” zeg ik.
“Er staat al weken een patrouille voor uw deur, juffrouw, u bent al weken niet meer thuis geweest.”
“Goed dan,” antwoord ik, “ergens waar het aanvoelt alsof het thuis is.”
De agente schuift mij een blocnote en een balpen toe.
“Schrijft u dan eens op waar dat is.”
Ik laat balpen en blocnote onaangeroerd.
“Waar is Alexander?” vraag ik.
De agenten aan de overkant van de tafel lachen.
“Dus zo noemt hij zichzelf tegenwoordig,” zegt de agente tegen haar collega.
“Welk verhaal heeft hij er ditmaal bij verteld?” vraagt ze mij, “zelfmoord van zijn moeder toen hij acht was, de verdwijning van zijn zusje of de hersentumor?”

Die avond, wanneer ik de nacht doorbreng in een politiecel, gaat een paar kilometer van het politiebureau vandaan een autofabriek in vlammen op.
De volgende ochtend laten ze mij weer vrij. Er bestaat geen beter alibi dan in de cel zitten op het moment van een aanslag. Bij het buitengaan houdt één van de agenten mij nog even tegen.
“Juffrouw,” zegt hij, “niets proberen hoor. We houden u in het oog. Dit is nog niet voorbij.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s