veertien

Op een dag zet Christian een metalen koffer neer op de vloer van het appartement. Voor hij de koffer opent, roept hij iedereen samen en houdt hij opnieuw een toespraak die alle aanwezigen met instemmend gemompel beantwoorden. Het taalgebruik dat hij hanteert, klinkt opvallend strijdlustig. Opnieuw benoemt hij de strijd als oorlog en zoekt hij daarin rechtvaardiging voor waar hij ons toe wil brengen.
“Als een oorlog noodzakelijk is, is hij rechtmatig.” zegt hij, “Daar waar slechts in wapens hoop gevestigd is, zijn de wapens geheiligd.”
Het zou mij niets verbazen als het een citaat zou blijken te zijn uit het oeuvre van een Romeins geschiedschrijver of iets dergelijks.
De reacties bij het openen van de kist zijn een mengeling van verbazing en opwinding. Naast een aantal kalashnikovgeweren, bevat de koffer een lading munitie, een aantal granaten en een paar kilo explosieven. Niemand stelt zich de vraag wat hiervan de bedoeling is, wat we met deze wapens moeten. Geen van deze mensen lijkt me ooit eerder een wapen in de handen te hebben gehad, op de molotovcocktails na waarmee de afgelopen dagen op verschillende plekken in de stad brand is gesticht. Ik kan me niet voorstellen dat één van deze mensen, op Christian na misschien, in staat is een geweer in hun handen te houden en bij het schieten doel te raken. Ik probeer me een voorstelling te maken van Petra die een bank binnenstapt, een geweer onder de neus van de bankbediende duwt en om de inhoud van de kluis vraagt, maar mijn verbeelding levert mij enkel lachwekkende taferelen. Wanneer ik mij T.’s dubbelganger met het wapen probeer voor te stellen, dwaalt mijn verbeelding af naar een herinnering en zie ik T. weer voor me met een waterpistool in zijn handen. We pasten een paar dagen op een huis van vrienden die op vakantie waren en terwijl ik de huisdieren voor mijn rekening nam, had T. zich vol toewijding op de verzorging van de planten gestort. Tussen het speelgoed van de kinderen had hij een waterpistool gevonden waarmee hij elke dag enthousiast de dorst van de planten leste.
“S., is alles in orde?”
Ik ontwaak uit mijn dagdroom. De rest van de groep staart mij aan. Het is blijkbaar niet normaal om afwezig te staan glimlachen wanneer er een koffer kalashnikovgeweren voor je neus staat. Erik profiteert van de aandacht die kort op mij gericht is om naar één van de geweren graaien. Maar nog voor hij in staat is het wapen op iemand te richten en “Handen omhoog!” te roepen, heeft Christian het geweer al uit zijn handen getrokken en geeft hij Erik een uitbrander van jewelste.
Het is Petra die als enige de vraag durft te stellen. Niet de vraag wat Christians plannen zijn met de wapens, maar de vraag hoe hij aan de inhoud van deze koffer is geraakt.
“Dat is niet belangrijk,” antwoordt Christian, “stel geen vragen, dat is het best voor iedereen.”

De avond nadat Christian de wapens het appartement heeft binnengebracht, ondergaan we een metamorfose. We blonderen of knippen onze haren en met kleren afkomstig van een tweedehandswinkel in de stad stellen we een nieuwe outfit samen. In eerste instantie wil ik me erbuiten houden, de gedaanteverwisselingen observeren zonder er zelf aan deel te nemen, maar Christian duwt me een doos kleurshampoo en een schaar in de handen.
“Vanavond ga je met ons mee,” zegt hij, “gedaan met aan de kant te zitten.”

Wanneer iedereen bijgewerkt en onherkenbaar is, verlaten we het appartement. We slenteren door de stad. Ik probeer een gesprek aan te knopen met Petra, in de hoop een gesprek te voeren met iemand die twijfelt, die niet weet of ze nu wel de juiste keuze heeft gemaakt. Ondanks de vraag bij de wapens, geeft Petra geen blijk van kritische twijfels omtrent de bestaansredenen van Kleine Opstand.
“Ik weet waarom ík hier ben,” zegt ze, “dat is het enige wat telt.”
Ik ben niet van plan om het gesprek op te geven en probeer Petra aan de praat te houden. Een inkijk in haar verleden zou een interessant uitgangspunt kunnen vormen voor een artikel. De enige manier om iemand hier aan het praten te krijgen, is door zelf op te biechten wat je van de ander horen wil. Ik lieg dat ik mijn familie mis, in de hoop dat het Petra ertoe zal aanzetten iets over haar eigen familie te vertellen.
“Ik heb niemand om te missen,” is het enige wat Petra aan mij kwijt wil.
“Heb je geen kinderen?” vraag ik haar.
“Toch wel. Een dochter.”
Meer wil ze er niet over kwijt. Ze kaatst de bal meteen naar mij terug.
“En jij? Heb jij kinderen?”
Ik weet niet welk antwoord ze van mij verwacht. Ik kan kiezen tussen de waarheid of een leugen die minder ongemakkelijk is.
“Nee,” zeg ik uiteindelijk en laat het gesprek daarbij stilvallen.

We houden halt aan een café. Christian gaat naar binnen, de rest volgt. We bestellen iets te drinken, praten wat en hoewel ik er vanuit ga dat we ons best onopvallend gedragen, is Christian duidelijk de tegenovergestelde mening toegedaan. Terwijl ik met Petra en enkele anderen aan een tafeltje in de donkerste uithoek van het café ben gaan zitten en we daar zo onopvallend mogelijk van onze dranken nippen, heeft Christian het middelpunt van het café en de belangstelling opgezocht. De rest van de groep schenkt hem weinig aandacht, op een paar enkelingen na die van op een afstand Christian verwachtingsvol in de gaten houden. Ik neem zoals gewoonlijk geen deel aan de gesprekken die de anderen aan de tafel voeren. Al luister ik wel.
“De politiek zorgt niet voor de oplossingen van de problemen, de politiek ís het probleem,” hoor ik Erik zeggen. Hij beweert het met de stelligheid van iemand die al jaren onderzoek doet naar dit onderwerp en nu finaal tot deze conclusie is gekomen.
“Wat is dan precies dat probleem?” brengt Petra tegen hem in, “over welk probleem heb je het concreet?”
Dit is een vraag waar Erik geen antwoord op heeft.
“Alles,” zegt hij, “het gaat de verkeerde kant op met onze samenleving.”
Petra lacht.
“Dat zeiden zelfs de oude Grieken al. Er is blijkbaar niets nieuws onder de zon.”

Terwijl ik luister naar de discussie tussen Erik en Petra, richt ik mijn blik met regelmaat op Christian. Ik begin een klein vermoeden te krijgen van de reden waarom ik hier aanwezig moet zijn, wanneer Christian een gesprek aanknoopt met een man aan de toog. Ik zie dat het gedrag dat hij tentoon spreidt hetzelfde is als dat wat hij een paar weken eerder al liet zien op het plein toen hij de agenten provoceerde in de hoop op een pak slaag. Christian speelt opnieuw hetzelfde spel, maar dit keer nodigt hij een man uit zijn visie te geven op een aantal stellingen die hij aanhaalt. En telkens wanneer de man antwoordt, komt Chirstian aanzetten met een tegenovergestelde bewering. Het is duidelijk dat hij probeert de man in kwestie uit zijn tent te lokken. Het is duidelijk dat wij hier pas vertrekken wanneer de boel ontploft is. Het is bewonderenswaardig hoe Christian eerst een gesprek aanknoopt, dat langzaam laat escaleren, er tenslotte omstanders bij betrekt en er binnen de tien minuten voor zorgt dat de eerste vuistslag op iemands gezicht neerkomt. Nog bewonderenswaardiger is het dat Christian na een paar klappen uit te delen afstand neemt van wat hij heeft veroorzaakt. Voor zijn ogen ontspint zich een knokpartij, door hem in gang gezet, maar hij neemt er niet langer aan deel. Met een irritant grote portie zelfzekerheid komt hij in alle rust naar onze tafel toe gewandeld.
“We gaan,” zegt hij, en terwijl we opstaan horen we de politiesirenes al naderen.
“Lopen!” sist iemand en allemaal stormen we naar de uitgang en lopen we de straat op, alsof ons leven ervan af hangt.
“Uit elkaar gaan,” schreeuwt Christian, “we vinden elkaar wel terug.”
In de daaropvolgende minuten loop ik, zoals ik nog nooit eerder in mijn leven gelopen heb.

De adrenaline giert nog na in mijn lichaam wanneer ik in de inkomhal van het appartementsgebouw sta na te hijgen. Op de trap zit T.’s dubbelganger, waar ik de voorbije dagen en weken geen woord meer mee gewisseld heb. Ik heb er nog steeds geen idee van hoe hij heet en ik heb het vermoeden dat er niemand in de groep is die weet wie hij is, zelfs Christian niet, maar dat het eigenlijk ook niemand echt wat kan schelen. Opnieuw valt mij op hoe sterk de gelijkenis met T. is. Vanaf het eerste moment waarop ik hem zag, bij het opstellen van mijn tent op het plein, voelde ik mij tot hem aangetrokken. Niet omdat de jongen binnen de categorie valt die ik mijn type zou kunnen noemen, noch omwille van kleine eigenaardigheden of charmante trekken die hij zou kunnen bezitten. Het enige wat mij in hem aantrekt, is de herinnering aan T.
Ik stap naar de trap en houdt halt voor de jongen. Hij kijkt op van de grond en glimlacht. Ik steek mijn hand naar hem uit, die hij dankbaar in ontvangst neemt. Ik trek hem recht en samen wandelen we de trap op.
“Ik ben S.,” zeg ik hem.
Opnieuw die glimlach. Natuurlijk weet hij wie ik ben. Maar mezelf voorstellen is de minst gênante manier die ik kan bedenken om de naam te weten te komen van iemand waarmee ik al een tijd hetzelfde appartement deel. Gelukkig heeft mijn gesprekspartner de onderliggende vraag meteen begrepen.
“Alexander,” zegt hij.

In de woonkamer van het appartement wachten Alexander en ik tot de rest van de groep terugkeert. Voor het eerst wisselen we meer dan blikken met elkaar en komt er een gesprek op gang. Tot mijn verrassing is Alexander minder introvert dan gedacht.
Onze conversatie is nog maar vijf minuten aan de gang wanneer hij mij erop wijst dat ik zelfs in een normaal gesprek de rol van interviewer niet van mij af kan zetten. Ik moet lachen om zijn opmerking, al weet ik dat hij gelijk heeft.
“Het maakt niet uit,” zegt hij, “vraag wat je weten wil. Ik antwoord op alle vragen.”
Hij daagt mij uit. Ik kan mij bijna niet voorstellen dat dit dezelfde zwijgzame jongen is waarmee ik al een paar weken een appartement deel. Wanneer ik hem vraag waarom hij zich heeft aangesloten bij Kleine Opstand, antwoordt hij met de standaardzin waarmee iedereen hier antwoordt: “omdat ik niets te verliezen heb.”
Alsof hij zich meteen bewust is van het feit dat dit antwoord mij onvermijdelijk clichématig op mij moet overkomen, voegt hij eraan toe: “kanker, een hersentumor.”
Ik val stil en lange tijd zitten we tegenover elkaar in de woonkamer te zwijgen. Wanneer we de eerste voetstappen op de trap horen, verbreekt Alexander het stilzwijgen.
“Tegen niemand zeggen, niemand hoeft dit te weten, zeker Christian niet.”

Langzaamaan druppelen de leden van Kleine Opstand één na één binnen in het appartement. Alexander valt terug in zijn rol van stille aanwezige, ik speel opnieuw de journalist die iedereen die binnenkomt monstert en pogingen doet conclusies te trekken.
Rondom mij vang ik flarden van gesprekken op zonder er zelf aan deel te nemen. Erik, die met de typerende arrogantie van de jeugd altijd spreekt alsof hij als enige weet hoe de wereld in elkaar zit, voert een gesprek aan waarvan het onderwerp “angst” is. Op geen enkel moment had Erik vandaag angst gevoeld, beweert hij. Hij gaat zelfs verder door te beweren dat je mits voldoende rationalisatie al je angsten te baas kan blijven.
“Door angst te beschouwen als iets irrationeels, kan je het makkelijk controleren,” zegt hij.
En om zijn betoog kracht bij te zetten haalt hij een voorbeeld aan dat hij ooit eens ergens heeft gelezen.
“In Groot-Brittanië,” zegt hij, “sterven meer mensen door gebruik van Paracetamol dan door spinnenbeten. Toch lijden meer Britten aan arachnofobie dan aan angst voor pijnstillers.”
Erik beschouwt deze vaststelling als een doorslaggevend argument.
Ondanks mijn talent om te observeren en op afstand te blijven, kan ik me ditmaal niet bedwingen.
“Geen angst kennen lijkt mij een ziekelijke afwijking.”
Een fractie van een seconde is Erik uit zijn lood geslagen en het is duidelijk dat hij tegenstand niet gewend is. Maar herpakken doet hij snel en ik krijg de volle landing.
“Die afstandelijkheid van jou, is dat dan ook geen ziekelijke afwijking? Al moet ik toegeven dat ze goed gecamoufleerd is. Een bestaan als journalist om een sociaal complex te verbergen. In ieder geval slim gezien.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s