negen

De volgende dag zitten de televisiejournaals vol met zogenaamde specialisten. Niet enkel psychologen, sociologen, politiek wetenschappers en criminologen, maar zelfs een kerkjurist met een mening over politiek en een komiek met sympathieën voor de opstandelingen zijn te zien in nieuwsstudio’s en voorzien de naar nieuws hongerige kijker van hun analyses. Een bekend politiek analist maakt van de gelegenheid gebruik om het boek aan te prijzen dat hij enkele jaren geleden geschreven heeft en waarin hij deze opstand voorspeld zegt te hebben. Zijn uitgeverij kondigt prompt een herdruk van het boek aan.

In de kranten valt te lezen dat de eerste copycats gesignaleerd zijn. In andere steden breken gelijkaardige opstanden uit. Op verschillende plaatsen troepen mensen samen op pleinen en ook daar gooien ze met stenen. Hier en daar vliegen molotovcocktails door de lucht. Volgens de geruchten is in één van de steden waar inmiddels ook rellen zijn uitgebroken een politiekantoor in vlammen opgegaan. Wie achter de opstanden in de andere steden zit, is niet duidelijk. Waarschijnlijk zijn het mensen zoals diegenen die rondom mij zijn samengetroept op het plein. Gewone, brave burgers die geen idee hebben waarom ze in opstand komen en samentroepen omdat hun instinct hen dat influistert.
Op het plein reageren de opstandelingen met enthousiasme op het nieuws. Op de gezichten rondom mij is de trots af te leiden die gepaard gaat met het idee iets gerealiseerd te hebben dat er echt toe doet. De vreugde die ze uitstralen, is de vreugde van mensen die iets in gang hebben gezet wat groter is dan ze ooit hadden vermoed.

Een paar uur nadat het nieuws van de copycats ons bereikt heeft, deelt een agent met een megafoon mee dat er een tijdelijk verbod op betogingen ingaat. Opnieuw verzoekt hij de opstandelingen uit elkaar te gaan. Nog steeds maakt niemand daartoe aanstalten. Ook de agenten zelf ondernemen geen actie. Hoewel ze gemachtigd zijn in te grijpen en ons uit elkaar te drijven, doen ze niets. Ze blijven staan aan de rand van het plein en wachten af. In theorie zou het voor hen perfect mogelijk zijn ons in slechts een paar minuten tijd uit elkaar te halen, maar niemand lijkt geneigd dat ook echt te willen proberen. Alsof van het plein een kracht uitgaat die niemand wil trotseren.

Op een vreemde manier lijk ik mij thuis te voelen op het plein. Hoewel ik op professionele wijze afstand houd van wat zich rondom mij afspeelt, voel ik mij toch betrokken bij deze mensen. Ik was mijn dromen en illusies kwijtgeraakt lang voor de opstand begon. Maar door hier te zijn, tussen deze mensen, begin ik voor het eerst sinds lang weer in dromen te geloven. Wie ik ben, wie ik vroeger was, lijkt niemand hier iets uit te maken. Het enige wat telt is het idee dat we hier samen zijn en dat wat wij doen belangrijk is.

Die avond zitten we samen rond een kampvuur in het midden van het plein.
“We kunnen hier niet blijven,” zegt één van ons, “dat is zinloos.”
“Dan gaan we ondergronds,” zegt Christian.
Niemand begrijpt wat hij daar precies mee bedoelt.
“We gaan naar een andere plek,” legt hij uit, “ergens waar we minder opvallen en van daaruit bereiden we acties voor.”
Wat hij zegt blijft vaag.
“Welke acties,” vraagt iemand hem, “onze enige actie is hier blijven en tonen dat we bestaan.”
“Er zijn betere manieren om te tonen dat we bestaan,” zegt Christian. “Zonder haar artikels in de krant,” zegt hij, terwijl hij nonchalant in mijn richting wijst, “zouden alleen de agenten rond het plein van ons bestaan op de hoogte zijn. Er zijn verschillende manieren om zichtbaarder te zijn.”
“Welke dan?” vraagt de man die met Christian in discussie is.
“Kijk naar wat er in de andere steden gebeurt. Mensen op verschillende plekken in dit land volgen ons voorbeeld, maar in de andere steden gaan ze nog verder dan wij. Dat politiekantoor dat ergens in vlammen is opgegaan, zoiets zouden wij ook moeten doen. Ons streefdoel moet zijn dat elke bank zijn ingang barricadeert met zandzakken en dat men prikkeldraad moet spannen rond elk bedrijf, elk politiebureau, elk overheidskantoor. We moeten deze stad doen branden zodat niemand zich hier nog veilig voelt, zodat iedereen voortdurend waakzaam is. Dan pas zal iedereen weten dat wij bestaan.”
Twijfel overheerst op de gezichten rondom mij. Alsof Christian aanvoelt dat hij zijn argumentatie over een andere boeg moet gooien, zegt hij: “Denk aan de jongen. Beschouw het als een eerbetoon aan de dode jongen.”
Het argument is goedkoop, maar het werkt. Hier en daar zie ik in een gezicht de strijdlust oplaaien. Toch blijkt het merendeel van de aanwezigen nog niet overtuigd. Iedereen zwijgt, denkt na, probeert in stilte argumenten tegenover elkaar af te wegen. Pas na een aantal minuten onderbreekt iemand voorzichtig het zwijgen met de vraag of dit niet allemaal wat te ver gaat. Het is goed hier samen te zijn op dit plein, maar velen hebben geen behoefte aan een echte revolutie. Het bleef een spel, het kamperen op het plein de afgelopen dagen. Het was een vlucht, weg van wie of wat dan ook.
Nu zitten al die gewone mensen hier, samen rond een vuur in het midden van een plein en vragen ze zich af wat er verder zal gebeuren.
Het zou een optie zijn uit elkaar te gaan, hun levens te hervatten en te doen alsof de voorbije dagen nooit hebben plaatsgevonden. Af en toe, op zeldzame dagen, zouden ze weemoedig voor zich uit staren en terugdenken aan die ene keer in hun leven dat ze iets hadden ondernomen en ze zich verbonden hadden gevoeld met anderen die ze voordien nog nooit hadden ontmoet.
Het zou eveneens een optie zijn samen te blijven op het plein en af te wachten wat er zou gebeuren. Misschien zou een bestorming door politieagenten hen allen tot martelaren maken, maar de vraag dringt zich op of een heldhaftige dood werkelijk meer waard is dan een laf en gemiddeld leven.
Een laatste optie zou zijn Christian te volgen, de stad te bestoken met molotovcocktails en alle gebouwen in de stad één na één in vlammen te doen opgaan.
Die laatste optie is diegene waarvan de meesten op het plein al jaren stiekem droomden, maar die door geen van hen ooit in de praktijk was gebracht. Het was tot op vandaag niet meer dan een boze droom die tot nu toe steeds beheerst was weggedrukt in een achterkamer van hun gedachten.
“Wie doet er mee?” vraagt Christian.
Op het plein kijken de opstandelingen afwachtend naar elkaar. Niemand geeft antwoord.
“Erik,” zegt Christian, terwijl hij zich richt tot een jongen van hooguit twintig, “doe je mee?”
“Ja,” antwoordt de jongen.
“Goed. Petra?”
“Ik doe ook mee,” hoor ik Petra naast mij zeggen.
“Jij?” richt Christian zich tot T.’s dubbelganger. De jonge man zegt niets, maar knikt.
“Wat een onzin,” hoor ik een stem achter mij zeggen. Ik draai mij om en zie een man staan waarmee ik op de eerste dag van de opstand nog een gesprek probeerde aan te knopen. Toen nog ging hij ervan uit dat hun samenzijn een noodzaak had, dat ze elkaar gevonden hadden en nooit meer uit elkaar zouden gaan. Nu is van dat eerste enthousiasme niets meer te zien.
“Ik ga naar huis,” zegt hij, “het is genoeg geweest.”
De uitlatingen van de man deren Christian niet.
“Prima,” zegt hij, “ga maar. Als er nog mensen zijn die willen vertrekken, ga jullie gang.”
De man verlaat de groep en begint zijn tent op te breken en zijn spullen bij elkaar te rapen. Druppelsgewijs volgen er nog anderen die de groep verlaten en het voorbeeld van de man volgen. Ik aarzel. Er zou niets mis zijn met vertrekken, met naar huis gaan en een artikel schrijven over mijn ervaringen van de afgelopen dagen, waarna ik de volgende dag opnieuw zou postvatten op de redactie en doen alsof er niets veranderd of gebeurd zou zijn. Ik zou opnieuw de artikels schrijven die ik voorheen schreef en verslag uitbrengen van de opening van een nieuw dierenverblijf in de dierentuin of het verjaardagsfeest van een bekend acteur.
“S.,” hoor ik Christian zeggen, “jij gaat ook met ons mee. Voor de verslaggeving.”
Ik knik. Er staan nog slechts een handvol mensen rondom mij: Christian, Erik, T.’s dubbelganger, Petra en een paar mensen waarmee ik tot nu toe nog geen woord gewisseld heb. Met deze mensen zal ik meegaan. Niet omdat Christian mij daartoe dwingt of omdat ik niet in staat ben tot het nemen van een beslissing, maar omdat het mijn eigen keuze is, omdat het bij die mensen is dat ik wil zijn, omdat ik voor het eerst in mijn leven iets zal kunnen doen wat enig belang zou kunnen hebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s