acht

De volgende ochtend staat er een nieuw artikel van mij in de krant, waarin ik de mensen beschrijf die sinds kort samen Kleine Opstand vormen. De journalistieke waarde van het stuk is klein, maar mijn ervaring leert mij dat mijn lezers eerder geïnteresseerd zijn in roddels en human interest dan in diepgravende journalistiek. Dus ik beschrijf de jongeren die overdag op het plein rondhangen, doen alsof ze deel van het gebeuren zijn, maar ‘s avonds gewoon naar huis gaan. Ik heb het over de man die al jaren zonder werk zit en op het plein voor het eerst sinds lange tijd weer het gevoel heeft ergens bij te horen en zinvol te zijn. Ik schets de alleenstaande vrouw wiens kinderen het huis uit zijn, heel haar leven heeft in het teken van de kinderen gestaan en nu is ze op zoek naar een nieuw doel in haar leven. Ik vertel over de filosoof die enthousiast tussen de tenten door banjert en verkondigt dat dit de opstand is waar hij al zijn carrière op heeft gewacht.
Het spreekt voor zich dat de mensen in de tenten rondom de mijne zichzelf herkennen in mijn beschrijvingen. De reacties zijn echter miniem. Niemand neemt aanstoot aan de manier waarop ik hem of de groep beschrijf. Het maakt hen niet meer uit wat de mensen in de buitenwereld van hen zullen denken.
Op de opiniepagina’s van de krant valt alvast te zien dat die buitenwereld zich inmiddels heeft verdeeld in twee kampen. Sommige lezersbrieven en opiniestukken drukken een waardering uit voor de opstandelingen die op het plein zijn samengekomen. Een gerespecteerd econoom maakt in een opiniestuk echter duidelijk dat hij de opstand op elk vlak afkeurt. Hij illustreert zijn tekst met cijfergegevens waaruit blijkt hoeveel economische verliezen het land sinds de opstand geleden heeft. Hij wijst op het instabiele klimaat dat buitenlandse investeerders afschrikt. Hij roept de regering op hard op te treden tegen deze opstandelingen. Met alle middelen die denkbaar zijn.
 

Ondertussen hebben politieagenten opnieuw plaatsgenomen aan de rand van het plein. Ze ondernemen niets. Ze staan een paar meter van ons verwijderd en wachten af. Zelfverdediging als tactiek. Ze staan daar en doen niets. Ze wachten tot één van de opstandelingen opnieuw met stenen zal beginnen gooien. Niet als eerste schieten, stralen de gedrilde lichamen uit. Geen fouten maken. Wachten op een actie die van op het plein komt en dan reageren. Zo zal het gaan. Daar zijn ze van overtuigd.
Het kleinste kind kan zien dat de agenten sterker gewapend zijn dan wij. Ditmaal is niets aan het toeval overgelaten. Het is zinloos hen te provoceren.
Vanop het plein taxeren we de politiemacht die rondom ons staat. De spanning die in de lucht hangt is duidelijk voelbaar. Dat er iets zal gebeuren spreekt vanzelf. De enige vraag is wat precies.
Het is een kwestie van tijd voor de eerste uit de cocon zal breken. We zijn hier met velen. Het plein is groot, maar niet groot genoeg om ontploffingen te vermijden. Opnieuw speelt het beeld van de ratten, de irritatie en de agressie op, maar een vergelijking met katten behoort eveneens tot de mogelijkheden. Bij katten en mensen duiken dezelfde mechanismen op wanneer ze geconfronteerd worden met een rivaal en dat is wat ik rondom mij zie gebeuren. Als het katten waren, hadden de opstandelingen de haren op hun ruggen rechtop gezet om zichzelf groter en gevaarlijker te laten lijken, maar omdat het mensen zijn, trekken ze hun schouders op en ballen ze hun vuisten. Het is zinloos, dat weet ik en alle mannen en vrouwen op het plein weten het ook. Maar stresshormonen zijn al losgelaten in bloedbanen, bloedtoevoer wordt al naar hart en spieren afgeleid, lichamen bereiden zich al voor om te vechten of te vluchten.
 

Het is Christian die als eerste een stap in de richting van de politiemacht zet. Anders dan zijn naam zou kunnen doen vermoeden, is Christian duidelijk niet iemand die de filosofie aanhangt van de andere wang toekeren en vrede op aarde. Christian is een brok agressie, maar binnen de groep levert hem dat respect op en zelfs na één dag en één nacht al een bijzondere status.
Als enige verlaat hij de groep, terwijl de rest voorzichtig afwacht. Hij stapt ongewapend op de agenten toe en grijnst naar een cameraploeg die wat verder opgesteld staat. Na de dood van de jongen een paar dagen geleden, is de tijd rijp voor een nieuwe martelaar. Christian weet dat hij geen steen zal hoeven gooien. Hij gaat tegenover de agenten staan met een uitdagende blik in de ogen. Pak mij dan, zeggen zijn ogen, vooruit, doe het, bewijs dat jullie het lef hebben tegen ons in te gaan.
Wanneer de eerste matrakslag neerkomt op zijn schouder, schreeuwt Christian het uit van de pijn, terwijl hij zijn blik zelfbewust op de camera richt. Hij weet zeer goed dat deze beelden vanavond in elk televisiejournaal te zien zullen zijn, dat er een verontwaardigd gemompel over het agressieve optreden van de politie te horen zal zijn in menig huiskamer en dat er de volgende dag opnieuw mensen aan de rand van het plein zullen staan met steunbetuigingen, aanmoedigingskreten en bananen.
 

‘s Avonds zit ik te schrijven, wanneer Christian mijn tent binnenkomt.
“Je gaat toch over mij schrijven, mag ik hopen,” zegt hij, terwijl hij naast mij komt zitten.
Ik kijk naar zijn gehavende neus, zijn gescheurde bovenlip en de blauwe plekken die zijn gezicht ontsieren. Onder zijn t-shirt is zijn lichaam waarschijnlijk nog zwaarder toegetakeld, maar ik probeer mij er geen voorstelling van te maken. Ik hoop dat hij niet met zijn kneuzingen wil komen pronken.
“Je maakt er toch een intelligent artikel van, hoop ik,” zegt hij. “Ik zou niet willen dat de mensen denken dat ik die marteling heb uitgelokt.”
Hij brengt zijn boodschap over met zo’n overdreven zakelijkheid dat het bijna humoristisch wordt.
“Misschien moet je wat citaten gebruiken,” zegt hij, “slogans over de revolutie.”
“Had je iets specifieks in gedachten?” vraag ik hem.
“Citeer Clausewitz,” zegt hij. “Schrijf dat oorlog de voortzetting is van politiek met andere middelen.”
“Is dit dan oorlog?” vraag ik hem.
“Ja,” zegt hij, “dit is oorlog.”
“Ik begrijp het niet,” zeg ik hem.
“Maakt niet uit,” is zijn reactie, “zorg dat het een mooi artikel wordt. Is er trouwens toevallig ook een fotograaf in de buurt? Misschien is een foto in de krant wel leuk.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s