één

Dit verhaal is een poging om al wat mij is overkomen sinds de dag waarop de opstand uitbrak te ordenen en begrijpen. Het feit dat enkele werknemers op zekere dag besloten hun verplichtingen de rug toe te keren, was slechts het aanwijsbare begin van wat uiteindelijk volledig uit de hand liep. Achteraf gezien lijkt het makkelijk een oordeel te vellen over wat er is gebeurd en over mijn rol in deze hele zaak. Op het moment zelf waren de gevolgen van al wat ik deed minder makkelijk te overzien. Waar geen regels meer bestaan, is het onmogelijk regels te overtreden. Het is moeilijk vol te houden dat ik juist gehandeld heb, maar het is even moeilijk om te stellen dat ik fouten heb begaan. Soms denk ik dat iedereen die in mijn schoenen zou hebben gestaan op eenzelfde manier zou hebben gehandeld, maar even vaak vraag ik mij af of alles anders was geweest als ik een andere keuze had gemaakt, een andere weg was ingeslagen of andere mensen had ontmoet.

Ik wil proberen dit verhaal te vertellen alsof het allemaal opnieuw gebeurt. Vanaf het begin. Ik wil pogen al wat ik nu weet en wat me pas achteraf duidelijk werd, zoveel mogelijk achterwege te laten. Zodat dit verhaal een inkijk kan bieden op hoe alles werkelijk gelopen is.

Ik ben S. Geen voornaam. Geen familienaam. Gewoon S. Verdere relevante informatie is op één hand te tellen. Zeventwintig jaar. Journaliste.

Wanneer de eerste berichten over de opstand binnenlopen op de redactie van de krant waar ik werk, beschouw ik het nieuws nog als een fait divers. Ik klasseer de eerste binnenkomende berichten dan ook als onbelangrijk en vul mijn tijd met het doorbladeren van de krant. Mijn aanwezigheid op de redactie lijkt me elke dag overbodiger te worden. Ik heb in de loop der jaren een stevige reputatie opgebouwd met het maken van onbeduidende reportages over regionaal nieuws en verder bestaat mijn bijdrage voornamelijk uit het zetten van koffie voor zowat iedereen op de redactie. Mijn hoofdredacteur schijnt echter nog steeds enig potentieel in mij te vermoeden. Toch schrik ik op wanneer hij plots voor mij staat.

“S.,” zegt hij, “ik heb jou niet in dienst om het nieuws te lezen, maar om het nieuws te maken. Die opstand in de stad, ik wil dat jij daar naartoe gaat. Ik wil weten wat daar aan de hand is. Ga er naartoe, zoek een mooie invalshoek voor een verhaal en kom terug met een straf artikel. Begrepen?”

Ik knik, laat de krant op mijn bureau liggen, grabbel wat spullen bij elkaar en ga de stad in.

Hoewel niet bekend is waar de massa zich bevindt op het moment waarop ik naar hen op zoek ga, kruis ik hun pad snel. Ze houden halt op een plein, in het centrum van de stad. Dat ik niet de enige ben die hen snel gevonden heeft, merk ik al wanneer ik het plein betreedt. Naast een tiental journalisten en fotografen, die een poging doen vat te krijgen op de situatie die zich voor hun ogen afspeelt, heeft er ook al een bataljon van de politie plaatsgenomen op het plein. Een agent met megafoon maant de betogers aan uit elkaar te gaan. Naar huis. Of naar het werk, waar hun ongeruste bedrijfsleiders hen al missen.

Ik zoek een plaats tussen de journalisten aan de rand van het plein en wacht af tot er iets zal gebeuren. Dat is tot op heden altijd een succesvolle tactiek gebleken. Gewoon afwachten. Niet te veel energie verspillen aan actief onderzoek. Niet te veel energie verspillen tout court. Sommige journalisten maken zichzelf wijs dat wat ze doen belang heeft. Dat zij de levens van andere mensen zullen veranderen doordat ze een reportage maken of een artikel schrijven. Ze zijn bereid hun leven op het spel te zetten in oorlogsgebieden, omdat de kijker of de lezer recht zou hebben op de zogenaamde waarheid. Toen ik begon als journaliste, koesterde ik die illusie welgeteld drie dagen lang. Maar na mijn vierde artikel over een nieuwjaarsreceptie ergens in de stad, bleef van die illusie niets meer over. Mijn leven op het spel zetten om de naar nieuws hongerige burger tevreden te stellen, hoef ik niet te doen. Ik moet enkel afwachten tot het nieuws zich aandient. Ik moet enkel wachten tot er iets gebeurt.

Maar er gebeurt niets.

“Wie zijn zij? Wat doen zij hier?” vraag ik een collega, in een poging snel een antwoord te krijgen op mijn vragen, zodat ik het plein vlug weer kan verlaten, mijn artikel kan gaan uittypen en me daarna weer overgeven aan andere hersendodende activiteiten. Mijn collega moet me het antwoord op de vragen echter schuldig moet blijven.

“Ik weet het niet,” zegt hij, “ze antwoorden niet op onze vragen.”

We zwijgen en wachten af. De massa staat opeengepakt op het plein. De betogers verroeren zich niet. Ze lijken de woorden die een agent door de megafoon doet schallen niet eens te horen.

De ordehandhavers aan de overkant van het plein weten niet hoe ze het gebrek aan reactie bij de betogers moeten beantwoorden. De agent met de megafoon valt even stil, hervat dan het spreken en vraagt de opstandelingen waartegen ze protesteren en wat hun eisen zijn.

Opnieuw komt er geen antwoord.

Tijdens de lange, ongemakkelijke stilte die over het plein hangt, doorbreek ik mijn eigen journalistieke code wat betreft afwachten en energie verspillen en schuifel ik in de richting van één van de betogers.

“S., journaliste,” stel ik mezelf voor aan een man die aan de rand van de massa staat, maar er ten volle deel van uitmaakt. “Wat is jullie doel?” vraag ik hem.

“Dat is er niet,” antwoordt hij.

Aan de overkant van het plein begint men ondertussen langzaamaan het geduld te verliezen. De agent die tot dan toe het woord gevoerd heeft, legt zijn megafoon neer en stapt traag naar de betogers toe.

“Ik wil de organisator spreken,” zegt hij. “Wie van jullie is verantwoordelijk?”

Opnieuw zwijgen de betogers. De agent moet zich inhouden om geen klappen uit te delen.

“Wie van jullie is verantwoordelijk?” vraagt hij opnieuw.

De stilte die volgt op de herhaling van zijn vraag, wordt doorbroken door een man op de eerste rij die een stap naar voor zet.

“Ik,” zegt hij, “ik ben verantwoordelijk.”

Nog voor de agent aanstalten kan maken naar de man toe te stappen, zet ook een vrouw die wat verder staat een stap naar voor.

“Ik,” zegt ze, “ik ben verantwoordelijk.”

En alsof het een perfect georkestreerde actie is, zetten ze allemaal, één na één, een stap naar voor.

“Ik,” zeggen ze in canon, “ik ben verantwoordelijk.”

Ik wring mezelf opnieuw naar voren en spreek nogmaals dezelfde man aan.

“Er moet toch een organisator zijn,” zeg ik hem. “Kunt u mij vertellen wie jullie zijn? Hoe jullie elkaar gevonden hebben?”

“Toeval,” zegt de man. “We hebben elkaar gevonden op straat, vanochtend, toen we op weg waren naar de kantoren waar we werken.”

“Waarom zijn jullie hier dan?” dring ik aan.

“Dat weten we niet,” antwoordt hij, “we weten niet precies waarom we in opstand komen of waartegen we protesteren. We weten alleen dat het belangrijk is dat we protesteren.

We hebben te lang stilgezeten achter bureaus, computers, voor de tv. Op straat hebben we elkaar gevonden en het is de bedoeling samen te blijven. Dit land is ons vergeten, juffrouw, en we willen haar herinneren aan ons bestaan. Wij zijn de goede burgers die elke maand hun rekeningen betalen, die werken in dienst van directeuren en bedrijven, die in orde zijn met allerlei regels en verplichtingen. Wij hebben geen ideologie, wij hebben geen politieke partij die ons vertegenwoordigt in het parlement. We hebben niets te vertellen, juffrouw, en net dat is onze boodschap.”

“Nee, wij kennen elkaar niet,” zegt ook een vrouw wanneer ik haar dezelfde vragen stel. “Ik weet niet waarom ik hier ben, ik weet alleen dat ik hier moet zijn.”

Mijn vraag waarom ze zich verbonden voelen, beantwoordt ze met een zucht.

Er volgt een telefoontje van de redactie met de vraag of ik al nieuws heb, of ik al weet wie de organisatoren van de opstand zijn. Het gebrek aan duidelijke antwoorden van de betogers, dwingt mij tot het gebruik van een in het verleden vaak succesvol gebleken journalistieke methode: ik verzin de feiten.

“Het zijn mensen,” zeg ik door de telefoon, “die tot vandaag weinig nood hebben gehad aan een gemeenschap of aan enig gevoel van samenhorigheid. Ze hebben nooit enige boodschap gehad aan vlaggen of een volkslied. Waarschijnlijk zijn de meesten als kind lid geweest van een jeugdbeweging, zonder dat ooit echt leuk gevonden te hebben. Ook in hun later leven zijn het mannen en vrouwen geweest die het liefst van al gewoon met rust gelaten werden. Maar dat is veranderd op deze ene dag, nu ze door toeval zijn samengebracht op dit plein.”

“Goed,” hoor ik de hoofdredacteur zeggen aan de andere kant van de lijn, “maar waartegen protesteren ze?”

Ik beantwoord zijn vraag niet, onderbreek het gesprek en zet mijn telefoon uit. Het begint me te dagen dat ik zonet aan de telefoon geen lukrake beschrijving heb gegeven van de massa die een paar meter van mij vandaan haar protestactie uitvoert. Ik heb enkel en alleen mezelf beschreven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s